header

CeLT-lezing 2009

De wijdere blik

Bernard Dewulf
 
Een tijd geleden kwam mij een anekdote ter ore.
            Een schilder en een curator staan te praten. Even gaat het over mij, over wat ik heb geschreven over kunst. De curator spreekt enkele waarderende woorden, aarzelt dan en voegt eraan toe: 'maar dat is literatuur'.
           
Waarom zei de goedbedoelende curator 'MAAR dat is literatuur', zeggend: dat is iets anders, dat behoort tot een andere wereld? Terwijl het toch handelt over datgene waar ook hij mee bezig is.
            Die vraag hield me bezig.
            Ik vroeg me af: wat is er fout gelopen?
            Misschien, leek het mij soms, is het zelfverwijzende van sommige kunstkritiek waar ik me in mijn geschriften wég van schrijf, wel een symptoom van iets groters: een territoriumdrift van de kunstwereld. Maar welke wereld, welke subwereld heeft daar geen behoefte aan en geen last van? Ook het literaire wereldje plast driftig om zich heen om toch maar geen indringers binnen te laten - net als, in wezen, elk ander kunstwereldje.
            Vanuit sociologische besognes zou het de moeite waard kunnen zijn om hierop door te gaan. Maar mij gaat het om het woord en om het beeld, om iets elementairs, om een wezenlijke driehoek: het kunstwerk, de blik, het schrijven.
 
Laat ik met het kunstwerk beginnen.
            Met 'kunstwerk' bedoel ik hier voor de gelegenheid concreet het beeldend kunstwerk, maar net zo goed kan het theatraal of choreografisch of filmisch zijn.
            Het kunstwerk ademt in mijn bestaan. In mijn dagelijks bestaan. Het is niet iets dat zich in quarantaine bevindt, waar ik het achter glas af en toe mag zien. Het is ook niet iets dat geschapen wordt om de kunstkritiek aan een onderwerp te helpen. Het is iets dat tot mijn leefwereld behoort. Het is niets bijzonders en het is buitengewoon. Ik kan er naar zitten kijken als naar de kinderen of naar de berk in de tuin. Net als de berk en het kind bevindt het kunstwerk zich al lang niet meer buiten mij, maar binnen mij. Daar, te midden van duizend andere dingen, verdeeld over ratio, gevoel en geheugen, bepaalt het mij.
            Het is niet mijn bedoeling zoveel mogelijk kunstwerken te zien, zoals ik ook niet zoveel mogelijk boeken wil lezen of landschappen wil zien. Ik loop rond, zoals iedereen, in de wereld zoals zij zich voordoet, en dan soms, ineens, ziet een kunstwerk míj.
            Ik bedoel dat niet als een boutade, het is mijn ervaring. Die ervaring is niet uniek voor het kunstwerk, ze geldt net zo voor bijvoorbeeld landschappen en mensen. Uiteindelijk zijn het allemaal beelden die mij bezoeken. Verreweg de meeste zijn van volstrekt voorbijgaande aard. Maar af en toe dus springt er een, zoals men dat zegt, in het oog. En dan, na de eerste kennismaking, wil mijn oog daar alles van weten. Oog en beeld laten elkaar niet meer los.
            Dit proces, deze vorm van verschijning, van doodsimpele epifanie, geldt niet exclusief voor kunst. Ik draag, net als iedereen, talloze beelden in mij mee, en de kunst-beelden zitten daar gewoon tussen. De meest voorkomende functie die het hoofd zelf gebruikt is de 'ramdom'-mogelijkheid. Dagelijks komen er beelden op, keren er beelden terug, soms doelmatig, naar aanleiding van een duidelijke impuls, maar even vaak zomaar, zonder duidelijke aanleiding. Dan kan, bijvoorbeeld, de moeder ineens verschijnen en haast tegelijk een tekening van Thierry De Cordier. Er zal wel een verband tussen die twee zijn, maar niet per se oorzakelijk.
 
Natuurlijk is het kunstbeeld anders, met andere bedoelingen ontstaan dan dat beeld van de moeder, of dan zoveel andere, zogezegd dagelijkser, anekdotischer beelden. Kunst heeft, vanzelfsprekend, meestal de bedoeling, de opdracht dat soort beelden te overstijgen. Wat ik probeer te zeggen is: heeft een kunstwerk, een kunst-beeld mij aangesproken, dan wil ik het mij telkens weer eigen maken.
            Eigen maken. Een eigenaardige uitdrukking.
            Dat eigen maken is een heel proces. Ik mag wel eens lezen dat ik kan kijken, dat ik een goede observator ben. Ik weet het nog zo niet. Ik betwijfel of men dat zo makkelijk van nature is.
            Ieder kijken is in hogere mate dan we doorgaans beseffen gevormd door dat van anderen.
            En hier kom ik weer bij de literatuur.
            Ik heb er niet naar gezocht, maar met de jaren en de stukken dat ik iets over kunstwerken en kunstenaars probeerde te zeggen, was het haast als met de beelden: de boeken, de essays, de verhalen vonden mij. Vooral: passages, momenten van 'aha' die mij hielpen om ineens weer beter, anders, schuiner, rechter, vollediger te kijken.
           
Waar, nu, heb ik die andere, vertrouwde blikken gevonden? Niet in de afdeling 'Kunst', maar onder het bordje 'Literatuur'. Dat is merkwaardig, aangezien die blikken over kunst schrijven. Nu behoren zij echter ook tot de literatuur, zij worden uitgegeven door literaire uitgeverijen, zij krijgen literaire prijzen, publiceren in literaire bladen en in literaire supplementen.
            Maar ze schrijven over kunst.
            Ze schrijven niet uitsluitend over kunst, ze zijn niet gek, ze hebben het over van alles. Ze schrijven zelfs romans. Als dat geen literatuur is. In feite dus zouden hun boeken in vele afdelingen moeten staan, maar zo werkt het niet. Zonder afdelingen geen geheel, blijkbaar.
            Zo werkte het ook niet voor de curator. Die maakte mij, ongetwijfeld onvrijwillig, onschadelijk door mij bij de literatuur onder te brengen. Het vreemde nu is, dat mijn twee boeken die over kunst gaan wel degelijk bij de 'Kunst'-afdeling te vinden zijn, terwijl andere dan weer elders staan. Wie heeft er nu gelijk?
            Ik hoor veel zeggen tegen 'hokjesdenken', maar ze zeggen zoveel. En ik lees en hoor van alles over cross-over en crossmediaal enzovoort. Maar ik vrees dat de cross-over een afdeling op zich is geworden. Tussen de kunsten liggen nog immer brede Moerdijken. Nu en dan een enkeling die er zich naar de andere kant begeeft.
            Ik beschouw dat als rampzalig, maar ik koester geen hoop.
 
 
Een van de blikken die mij gevormd hebben is die van de Nederlandse schrijver K. Schippers. Een van de vele uitspraken die ik van hem zou kunnen citeren omdat ze mijn instemming hebben, luidt: "Voor mij is schrijven over beeldende kunst niet anders dan het verslaan van een brand. Ik denk dat je over kunst net zo moet schrijven als over alles, over een kopje dat op tafel staat."
            Dat citaat zegt bondig wat mij bij een schrijver als Schippers, en bij enkele anderen, zo aantrekt: ze kijken met de blik van hun dagelijkse bestaan. Er is niet een blik voor het leven enerzijds en een blik voor de kunst anderzijds. Dat laat hen ook toe op een overeenkomstige manier te schrijven: even dagelijks als zorgvuldig. Even schijnbaar achteloos als zeer aandachtig.
 
Nog zo'n geliefde schrijver is J. Bernlef. U kent hem wel, van zijn bestseller Hersenschimmen. Bernlef is ook dichter. En ook hij schrijft, behalve over van alles, over kunst, vooral muziek en beeldende kunst. Ik heb van hem uit een essay met de wat protserige titel 'Aura en reproduktie in de schilderkunst' een passage gehaald die haast polemisch is in haar pleidooi voor schrijvers:
 
"De Amerikaanse tekenaar Saul Steinberg vertelde mij eens dat hij vond dat alleen dichters over beeldende kunst zouden moeten schrijven". Zo begint Bernlef. Ik ben het niet eens met die stelling, maar de schrijver legt uit. "Hebben die dichters dan meer verstand van beeldende kunst dan mensen die ervoor hebben gestudeerd? Dat bedoelde Steinberg natuurlijk niet. De kunstcriticus kijkt over het algemeen te veel vanuit de bestaande canon. Daar heeft hij baat bij, want zijn prestige is ervan afhankelijk. (...) Wat schrijvers die over beeldende kunst schreven steeds weer gedaan hebben en doen is een verslag uitbrengen van de ontmoetingen met schilderijen, met de 'aura' van een bepaald werk. Hun beroep vrijwaart hen beter tegen de clichés van de dag en van vakjargon, geeft hun meer dan de gemiddelde kunstcriticus kans beelden te vinden waarmee de emoties die de ontmoetingen hebben losgemaakt kunnen worden overgedragen. De dichters en schrijvers zijn niet zozeer geïnteresseerd in het 'uitleggen' van een kunstwerk of in het beïnvloeden van de kunstwereld als wel in het omzetten van ondergane sensaties in taal die zelf weer sensaties teweeg kan brengen."
            Tot zover schrijver Bernlef.     
            Laat ik nu even naar het schijnbaar andere eind van het spectrum verhuizen: de kunstfilosofie. In zijn boek De geplooide voorstelling schrijft kunstfilosoof Frank Vande Veire, als een soort besluit van zijn uitweidingen, de volgende verzuchting: "Het kunstwerk heeft geen andere kans dan dat het wordt herhaald, dan dat het in andere registers wordt ingeschreven: literaire, filosofische, psycho-analytische, politieke (...) Niet in zijn consacrering, zijn humanisering, zijn culturalisering, maar enkel in zijn onvermijdelijk verminkende herschrijving en 'herbeelding' kan het blijven gebeuren."
            Hoe verschillend het register, de invalshoek, het perspectief en de inzet ook mogen zijn tussen de kunstfilosoof Vande Veire en de schrijver Schippers en Bernlef, hun beider verzuchtingen komen samen in de noodzaak om de kunst uit de al te beklemmende, amechtige, zelfbevredigende context te halen waarin zij angstvallig wordt bewaakt.
 
Dat Bernlef het als 'ervaring' bij kunst houdt op emoties en sensaties, is mij te beperkt. Maar waar hij spreekt over ontmoetingen, knik ik instemmend. Nog liever zou ik spreken van kennismakingen, met de nadruk op kennis. Ik ken het cliché maar al te goed, en ik vrees dat de curator, haast instinctief, hiernaar verwees: dat de dichter, de schrijver inderdaad vooral beelden gaat zoeken voor een emotie, een ontroering, een 'sensatie'. Als ik graag zeg: kennismaking, dan is het omdat ikzelf geenszins de behoefte voel om zomaar wat ontroeringen en dergelijke meer op een fraaie manier te verwoorden. Is er eenmaal de ontmoeting geweest, voor mijn part de coup de foudre, dan begin ik als de eerste de beste hamster alles in te slaan en op te slaan wat ik over de kunstenaar kan vinden. Ik denk dat ik dan een context aanleg, als een spinneweb om die ontmoeting heen.
            Daarna pas, allengs gelijk de spin, begint het schrijven. En: het is het schrijven zelf dat goeddeels de sensaties, de gedachten, de bijgedachten, en zelfs het kijken laat ontstaan.
 
 
Nu, dat alleen dichters en schrijvers over kunst zouden mogen schrijven - ik mag het niet dromen. Maar het geschrijf van die dichters afdoen met het ambigue compliment dat het literatuur is, daar schieten we weinig mee op.
            Om een politicus te citeren die koketteerde met zijn anti-intellectualisme: het is niet of-of, het is en-en.
           
Hier noem ik graag een derde schrijver. Alweer een Nederlander. In Nederland schrijven nu eenmaal meer schrijvers over kunst en van alles.
            Piet Meeuse. Essayist, vertaler en verhalenschrijver. En aandachtige kijker. In zijn bundel Betoveringen weidt hij soms speels soms ernstig uit over vormen van observatie.
            "Er bestaat", schrijft Meeuse, "ook een andere manier van kijken. Een kijken dat niet op kennis uit is, maar eerder het tegendeel uitlokt: de verstoring van wat je al weet. Het is een kijken zonder agenda, zonder programma. Het wil niet weten, niet onderscheiden en classificeren, maar zich alleen maar laven aan wat het ziet. En dan lijkt het soms of de rollen worden omgedraaid: de wereld biedt zich aan op een onverwachte manier.
            Dat kan alleen wanneer je je blik laat leiden door het toeval.
            Het is vinden wat je niet gezocht hebt.
            Is dat te leren? Of is het meer een kwestie van afleren?"
 
Het kijken zonder agenda. Dat klinkt simpel, maar het is zo moeilijk. Zeker als je al wel wat gezien hebt. Hoe kun je dan nog iets zien dat "zonder agenda"?
            In dat licht lijkt de belangrijkste zin in deze passage mij de, alweer, haast achteloos gestelde, schijnbaar retorische vraag: "Of is het meer een kwestie van afleren?"
            Ik geloof in dat afleren. In het afleren te kijken mét een agenda. Ik geloof dat er dan regelmatig een 'wonder' kan gebeuren.
           
In haar essaybundel Het wonder werkt, waar in 'verhalen over kunst' staan, spreekt de Nederlandse schrijfster en beeldend kunstenaar Pam Emmerik over 'de zigzagbenadering'. Het is een beeld waarmee zij haar manier om kunst te benaderen typeert. Dat zigzaggen, schrijft ze, is "als van een speurhond" en daarbij kunnen "alle middelen ingezet worden: kunstgeschiedenis, gedichten, spreektaal, psychologie, film, dromen, observaties, herinneringen, filosofie, persoonlijke verhalen, doctrines, latrines, stadservaringen, politiek en meer."
            Dat doet denken aan de beroemde regels van dichter (en beeldend kunstenaar) Lucebert, die trachtte "de ruimte van het volledige leven tot uitdrukking te brengen". Maar dat is dan weer literatuur.
 
Dat ik door de curator doorverwezen werd naar de literatuur, en met mij vele anderen, ik begrijp het wel enigszins, maar ik betreur het ook. Dat ik zelden of nooit in het vele dat binnen de kunst-dijken over de kunst geschreven wordt, verwijzingen tegenkom naar de schrijvers die ik hier genoemd heb - of, uiteraard, naar andere schrijvers - ik betreur het. Dat er over kunst te vaak met kunstogen en in een kunsttaal geschreven wordt, ik betreur het.
            Ik betreur het allemaal vooral omdat het er volgens mij al te vaak toe leidt dat zoveel niet-schrijvende, niet in de kunsttaal ingeleide ogen niet meer naar kunst dúrven te kijken, en al zeker niet zoals ze naar een brand of een kopje op tafel zouden kunnen kijken.
            Naar kunst kijken kan ons helpen naar de wereld te kijken, naar de wereld kijken kan ons helpen naar de kunst te kijken.
 
           
De richting is niet weg uit de kunst, de wereld in, of de literatuur in. Evenmin is het de bedoeling in de kunst te blijven.
            Zoals het in elk dorp wel ergens bewegwijzerd staat: Alle Richtingen.
            Dat is natuurlijk een ideaal: noch voor de Literatuur te rijden, noch voor de Kunst. Maar waarvoor of voor wie dan wel.
            Hoopt niet iedereen die schrijft, iedereen die beeldende kunst maakt (of muziek, theater, enz.) op een soort hemelsbreed oog, dat in staat is tegelijk alleen de kleine specifieke schepping te zien én al de rest. Een lezer, een kijker die in één beweging en micro- en macroscopisch kan lezen en kijken. Wars van welke segmentering dan ook.
            Een alziend oog, als het ware. Zoals het hier en daar nog in huiskamers hangt.
 
Vanzelfsprekend is dat een hersenschim. Zo breed kan onze blik niet meer zijn. Toch moeten we proberen, toch mogen we het kopje op tafel niet louter aan design-ogen overlaten, en de kunst niet aan kunstogen.
            Mij dunkt dat we in Vlaanderen, alvast wat de kunst betreft, te zeer die neiging hebben. En mij dunkt dat die kunst een wijdere blik verdient. Niet alleen verdient ze die, ze heeft hem ook nodig. Weinig zo deprimerend voor die kunst als vacuüm getrokken te worden in één register. En dan op een transportband gelegd te worden die maar ronddraait en telkens weer dezelfde consumenten bedient.
            Daarom dus heeft het geen zin om de zogenoemde literatuur in een vriendelijke geste of in een reflex naast de kunst te zetten.
 
Misschien, ten slotte, ligt aan mijn geloof in een wijdere blik wel iets kinderlijks ten grondslag. Rondlezend voor deze lezing kwam ik ook nog bij schrijver Willem Brakman. Het ging er over ‘de geniale kinderblik’. Dat lijkt een wat vreemde term, bedoeld wordt: de blik die nog geen weet heeft van de splitsing tussen binnen en buiten. Het kind gaat nog op in zijn omgeving, in het boek dat het leest of in de dingen die het ervaart. Het maakt nog niet al die onderscheiden waar wij zo graag op terugvallen.

            En dan hoor ik u denken: maar waar is de kritische reflectie? En dan zeg ik u: die komt wel, al kijkend. Want nooit, immers, wil het bij kijken blijven.